De Belgische meerwaardebelasting vanaf 2026: de basisprincipes

De kogel is door de kerk: België voert vanaf 1 januari 2026 voor het eerst een algemene meerwaardebelasting op financiële activa in. De nieuwe regeling is van toepassing op natuurlijke personen die fiscaal inwoner zijn van België, evenals op bepaalde rechtspersonen die onder de rechtspersonenbelasting vallen, zoals vzw’s en private stichtingen. Vennootschappen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en niet-inwoners blijven volledig buiten het toepassingsgebied. Nederlandse rijksinwoners die een aandelenportefeuille aanhouden via een Belgische financiële instelling, zijn dan ook niet onderworpen aan de meerwaardebelasting. Indien aandelen worden gecertificeerd via een Nederlandse STAK, zijn enkel de in België wonende certificaathouders de meerwaardebelasting verschuldigd.

De belasting richt zich op een breed spectrum van financiële activa. Naast klassieke beleggingen zoals aandelen, obligaties, beleggingsfondsen en ETF’s, omvat ze ook derivaten, valuta/beleggingsgoud, cryptoactiva en verzekeringsproducten van tak 21 en tak 23. Producten met een eigen fiscaal regime, zoals pensioensparen en groepsverzekeringen, blijven uitgesloten. Door deze ruime omschrijving vallen zowel beursgenoteerde als niet-beursgenoteerde beleggingen onder de regeling, wat in de praktijk een zeer brede impact heeft.

Een meerwaarde wordt pas belast wanneer er sprake is van een overdracht onder bezwarende titel, zoals een verkoop. Loutere waardestijgingen zonder realisatie blijven buiten schot, in tegenstelling tot de gedeeltelijke vermogenswinstbelasting die in Nederland in de nieuwe box 3 wordt voorgesteld. Handelingen zoals schenkingen, erfenissen of uitonverdeeldheidtredingen (bijvoorbeeld na een overlijden of bij echtscheiding) worden niet als belastbare overdrachten beschouwd. Bepaalde verrichtingen worden echter wel gelijkgesteld met een verkoop, zoals de afkoop van sommige verzekeringscontracten of het verplaatsen van de fiscale woonplaats naar het buitenland.

Het algemene tarief bedraagt 10% op de gerealiseerde meerwaarde. Daarnaast krijgt elke belastingplichtige een jaarlijkse vrijstelling van tienduizend euro die wordt geïndexeerd. Niet-benutte vrijstellingen kunnen gedurende vijf jaar worden overgedragen, met een maximum van vijftienduizend euro. Hierdoor blijven kleinere transacties in veel gevallen vrij van belasting.

Wie een aanmerkelijk belang van ten minste 20% in een onderneming bezit, valt onder een afzonderlijke regeling. Hierbij geldt een vrijstelling op de eerste één miljoen euro aan meerwaarden. Maar voor hogere bedragen worden progressief stijgende tarieven toegepast variërend van 1,25% tot 5%, met een eindtarief van 10% boven tien miljoen euro. Dit systeem verschilt duidelijk van het algemene regime voor kleinere participaties.

Uitzonderingsregimes bestaan onder andere voor interne meerwaarden (i.e. verkoop aan een eigen gecontroleerde vennootschap) en verkoop aanmerkelijk belang aan een niet-EER-vennootschap.

Voor de berekening van de meerwaarde wordt gewerkt met een uitgangswaarde op 31 december 2025 (“fotomoment”), dat fungeert als een belangrijk referentiepunt voor activa die vóór die datum zijn verworven. Alle waardestijgingen die tot die datum zijn opgebouwd, blijven definitief vrijgesteld. De waarde op die peildatum – of, indien hoger, de werkelijke aankoopprijs – vormt het referentiepunt voor toekomstige berekeningen. Dat laatste geldt wel maar tot en met 31 december 2030. Minderwaarden (verliezen) binnen hetzelfde jaar en binnen dezelfde categorie mogen worden verrekend, maar kunnen niet naar volgende jaren worden doorgeschoven.

Tot slot wordt de praktische uitvoering grotendeels toevertrouwd aan de financiële instellingen. Vanaf 1 juni 2026 zullen zij de meerwaardebelasting in principe automatisch inhouden als bronheffing, tenzij men voor een opt-out kiest. In dat geval moet u de gerealiseerde meerwaarden zelf via de belastingaangifte aangeven. Een belangrijk aandachtspunt is dat de vrijstelling enkel kan worden toegepast wanneer de meerwaarden effectief in de aangifte worden opgenomen. Zonder opname van de meerwaarden in de aangifte kan de vrijstelling dus niet worden benut.